Samenwerking tussen politie en zorginstellingen: korte lijnen die levens schelen
Samenvatting: Bij ernstige incidenten in de zorg blijkt de kwaliteit van de samenwerking met politie cruciaal. Vier praktische afspraken voorkomen dat in het moment zelf nog onderhandeld moet worden.
Het moment waarop je het niet meer kunt regelen
Een patiënt die met een mes uit een gesloten afdeling ontsnapt. Een
verwarde bezoeker die de polikliniek bezet. Een suïcidale jongere die
van het dakterras dreigt te springen. Dit zijn momenten waarop de
eerste minuten bepalend zijn — en op die momenten is het te laat
om nog te onderhandelen wie wat doet, wie waar binnen mag, en welke
informatie gedeeld mag worden.
Goede samenwerking tussen politie en zorginstellingen wordt
vooraf geregeld, niet tijdens het incident. Dat klinkt
vanzelfsprekend en is het in de praktijk zelden.
Vier afspraken die het verschil maken
In de instellingen waar wij mee werken, zien wij dat vier concrete
afspraken steeds terugkomen in de evaluaties van goed verlopen
crisissituaties:
1. Vaste contactpersoon bij politie en zorg. Niet "het algemene
nummer", maar één persoon aan beide kanten met telefoonnummer, een
back-up, en kennis van de lokale situatie. Wij houden namens
opdrachtgevers actuele contactkaarten bij die elke drie maanden worden
geverifieerd.
2. Vooraf afgesproken locatieprotocol. Waar komt de politie binnen,
welke deuren staan open, wie loopt mee, welke informatie wordt
overgedragen? Op een GGZ-locatie ziet dat protocol er anders uit dan
in een ziekenhuis of opvang. Eén keer per jaar fysiek doorlopen is een
minimum.
3. Duidelijkheid over gegevensdeling. Wat mag de politie weten over
een patiënt, wanneer, en op grond van welke wettelijke basis (artikel
7:457 BW, AVG-uitzonderingen, vorderingen)? Onduidelijkheid hierover
leidt tot vertraging op het moment dat het er echt toe doet. Bespreek
het standpunt van de instelling voorafgaand met de politie, niet ad hoc.
4. Gezamenlijke nazorg. Na een ernstig incident hebben zowel
zorgmedewerkers als politieagenten nazorg nodig. Een gezamenlijke
debriefing — binnen 48 uur, met heldere agenda — voorkomt dat
beide partijen elkaar achteraf de schuld gaan geven.
Kennen voordat het misgaat
De beste afspraken stranden als de mensen elkaar niet kennen. Wij
organiseren voor opdrachtgevers periodieke kennismakingen met de
wijkagent, de operationeel commandant, of de ggz-specialisten van de
politie. Een gezicht bij een naam halveert in de praktijk de
escalatietijd bij een crisis.
Voor de wat grotere instellingen werkt een jaarlijkse **gezamenlijke
oefening** uitstekend. Niet als formele tafelsessie, maar als concrete
scenario-oefening met echte personen op echte locaties. Wat onhandig
loopt in een oefening, loopt verkeerd in een crisis.
Wat de politie van zorginstellingen verwacht
Andersom geldt hetzelfde. De politie heeft bij elke melding behoefte
aan: precieze locatie (gebouw, verdieping, vleugel, kamer), aantal
betrokkenen, aanwezigheid van wapens of voorwerpen die als wapen
kunnen dienen, gezondheidstoestand van betrokkenen, en eventueel
relevante voorgeschiedenis (bekende patiënt, eerdere incidenten,
medicatie).
Zorgmedewerkers die in paniek bellen geven die informatie vaak in
fragmenten. Beveiligers met crisistraining geven hem in één
gestructureerde melding. Dat verschil is in seconden uit te drukken,
en die seconden kunnen letsel of erger schelen.
Het belang van een gedeeld vocabulaire
Politie en zorg spreken niet vanzelf dezelfde taal. "Verward" betekent
in de zorg iets anders dan in de politiepraktijk; "bedreiging" idem.
Vaste escalatieniveaus met dezelfde namen aan beide kanten ("code
geel/oranje/rood" of een variant daarop) maken communicatie korter en
ondubbelzinniger.
Tot besluit
Korte lijnen tussen politie en zorg zijn geen luxe en geen
sympathiek extraatje — ze zijn een voorwaarde voor verantwoorde
zorg in risicodragende omgevingen. Wie ze pas legt op het moment dat
het misgaat, legt ze te laat. Wie ze structureel onderhoudt, voorkomt
incidenten of beperkt de gevolgen ervan aantoonbaar.